Wat is de week
van de psychiatrie?

Werkgroep van
de WvdP
Informatie
document WvdP 2011
Verslag Breingeindag 2010
Verslag Breingeindag 2011
      

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

      
Wat gaat er mis in het contact met als 'moeilijk' ervaren cliënten?
Wat is er aan de hand, wanneer een hulpverlener in de GGZ een van zijn cliënten 'moeilijk' noemt? Wat gaat er mis in het contact tussen beiden. En wat kan de hulpverlener doen om de onderlinge verstandhouding te verbeteren? Bauke Koekkoek e.a. interviewden 21 cliënten die door hun behandelaars als 'moeilijk' bestempeld waren. Na een kwalitatieve analyse van de interviews komt o.a. naar voren dat de cliënt zich onvoldoende erkend voelt en dat de  verwachtingen van cliënt en hulpverlener vaak uiteenlopen.

De ervaringen van de cliënten met hun behandelaars worden samengevat. Zo hebben zij moeite met desinteresse, onvoldoende betrokkenheid en een 'algemene negatieve kijk' van hun behandelaar en vinden zij dat behandelaars 'moeilijk gedrag' teveel op zichzelf betrekken. Ook hebben ze het gevoel dat er bijna geen goede manier is om om hulp te vragen: stellen zij zich te afhankelijk op, dan is het niet goed, maar als ze adequaat om hulp vragen, worden hun problemen onvoldoende ernstig ingeschat.

In het artikel van Koekoek e.a. worden interessante verklaringen opgeworpen voor de waargenomen moeilijkheden? Ambivalentie ten opzichte van de hulpverlening blijkt een belangrijke. De onderzochte cliënten blijken geïsoleerd te leven en krijgen weinig steun in hun eigen omgeving. De behoefte aan steun, begrip en erkenning van de hulpverlener is groot, maar tegelijkertijd wil de cliënt deze steun ook weer niet van 'een professional'. Hoe gaat een therapeut om met de 'existentiële' behoeften die zo in het contact naar voren kunnen komen?

Het genoemde artikel bevat interessante citaten en analyses die helpen om meer te begrijpen wat er misgaat in de interacties tussen patiënten die als 'moeilijk' ervaren worden en hun hulpverleners. Ook wordt een model gepresenteerd waarmee de hulpverlener meer zicht en grip kan krijgen op de lastige interacties met deze cliëntengroep.

 
  Download dit artikel als pdf


Bauke Koekkoek, Berno van Meijel, Joyce van Ommen, Renske Pennings, Ad Kaasenbrood, Giel Hutschemaekers, Aart Schene (2010).
Ambivalent connections: a qualitative study of the care experiences of non-psychotic chronic patients who are perceived as ‘difficult’ by professionals.
BMC Psychiatry 2010, 10:96.
http://www.biomedcentral.com/1471-244X/10/96


 

Maar wat maakt nu iemand tot een goede (psycho-)therapeut en waar moet je dus als cliënt op letten?
Mevrouw prof.dr. M. Leijssen, hoogleraar en psychotherapeut in België stelt het in haar artikel De therapeut zo:

'Uit onderzoeksoverzichten blijkt herhaaldelijk dat de persoonlijke eigenschappen van therapeuten beslissender zijn voor de therapieresultaten dan de technieken die zij gebruiken of de therapie-oriëntatie waartoe zij behoren (Crits-Christoph & Mintz 1991; Goldfried e.a. 1990; Luborsky e.a. 1986). ...

Sommige therapeuten zijn succesvol bij elke therapeutische benadering, terwijl anderen steeds negatieve resultaten behalen ongeacht de technieken die ze toepassen (Orlinsky & Howard 1980; Lambert 1989). ...

Sommige onderzoeken komen zelfs tot de onthutsende conclusie dat onervaren of niet-professionele hulpverleners even goede en soms zelfs betere resultaten behalen dan ervaren en geschoolde therapeuten (Hattle, Sharpley & Rogers 1984; Dumont 1991). Op grond daarvan dringt de conclusie zich op dat het aantal jaren ervaring of een professionele training nog niets zegt over de werkelijke bekwaamheid van de therapeut. ... Men kan er ook uit afleiden dat bij niet-geschoolde hulpverleners essentiële persoonlijke relationele kwaliteiten aanwezig kunnen zijn, waarvoor traditionele therapieopleidingen in hun selectie en vorming te weinig aandacht hebben of dat de traditionele opleidingen misschien zelfs een remmende en ontmoedigende uitwerking hebben op een natuurlijke wijze van optreden. Wel konden Blatt a. (1996) aantonen dat de succesvolle therapeuten van depressieve patiënten vaker psychologen zijn dan psychiaters. De minst effectieve therapeuten in hun onderzoeksgroep waren meer gericht op medisch-biologische interventies en verwachtten minder van psychologische tussenkomsten.

Meerdere studies brengen aan het licht dat succesvolle therapeuten beter omgaan met emotionele uitingen van cliënten: zij tolereren extremere gevoelens van cliënten en durven hen te confronteren met de affectieve impact van situaties. ...

Waar men zou verwachten dat goede therapeuten een specifieke cognitieve stijl aanwenden, suggereert onderzoek dat vooruitgang bij de cliënt voornamelijk plaatsvindt wanneer er overeenkomsten zijn in stijl en wijze van perceptie bij cliënt en therapeut (Beutler ea 1994).'

(Leijssen, M. In: De therapeut, in S. Colijn, J.A. Snijders &W. Trijsburg, (Red.), Leerboek Integratieve Psychotherapie, 305-326, 2003).

bron: www.idee-pmc.nl

“Kwaliteit van de behandelrelatie bij het ontbreken van direct contact tussen cliënt en hulpverlener” - Prof. dr. Jacques van Lankveld
Dat de kwaliteit van de therapeutische relatie een belangrijk deel van het behandeleffect op haar conto mag schrijven is een gevestigde gedachte. Hierbij wordt in het algemeen aangenomen dat de relatie gebaat is bij direct contact tussen cliënt en hulpverlener. De werkzaamheid van nieuwe therapievormen, waarin het directe contact tussen cliënt en therapeut minimaal of zelfs afwezig is, lijkt dit gegeven echter tegen te spreken. Klopt dit beeld? Is de invloed van de therapeutische relatie op het behandeleffect al wetenschappelijk onderzocht? Het onderwerp zal onder meer belicht worden aan de hand van de ontwikkelingen in e-mental health.

Prof. dr. Jacques van Lankveld (Gemert, 1954) werkt sinds 1980 als klinisch psycholoog en psychotherapeut in verschillende settings.  Bij de Open Universiteit geeft hij afstandsonderwijs en zet hij nieuwe onderzoekslijnen op waarbij o.a. e-health zijn bijzondere aandacht heeft.

 

Arts-patiënt relatie
De arts-patiënt relatie staat centraal in de praktijk van de geneeskunde en is essentieel voor het leveren van kwalitatief hoogwaardige gezondheidszorg in de diagnose en behandeling van de ziekte.
De arts-patiënt relatie vormt een van de fundamenten van de hedendaagse medische ethiek
De meeste medische scholen en universiteiten leren studenten geneeskunde vanaf het begin, nog voordat ze voet aan wal zette in ziekenhuizen met een professionele relatie met patiënten te houden, patiënten 'waardigheid te handhaven, en hun privacy te respecteren.

Belang
Een patiënt moet vertrouwen hebben in de deskundigheid van hun arts en moet het gevoel hebben dat ze kunnen vertrouwen in hem of haar. Voor de meeste artsen, de oprichting van goede verstandhouding met de patiënt is belangrijk. Sommige medische specialiteiten, zoals de psychiatrie en huisartsgeneeskunde, benadrukken de relatie arts-patiënt meer dan anderen, zoals pathologie of radiologie.

De kwaliteit van de arts-patiëntrelatie is belangrijk voor beide partijen. Hoe beter de relatie in termen van wederzijds respect, kennis, vertrouwen, gedeelde waarden en perspectieven over ziekte en leven, en de beschikbare tijd, des te beter zal de hoeveelheid en de kwaliteit van de informatie over de ziekte van de patiënt overgedragen in beide richtingen worden, het verbeteren van nauwkeurigheid van de diagnose en het verhogen van de patiënt kennis over de ziekte. Wanneer een dergelijke relatie slecht is de arts in staat is om gecompromitteerd een volledige beoordeling wordt en de patiënt heeft meer kans om wantrouwen de diagnose en de voorgestelde behandeling, waardoor verminderde naleving daadwerkelijk volgen het medisch advies. In deze omstandigheden en ook in gevallen waar sprake is van echte verschil van medische adviezen, een second opinion een andere arts kan uit worden gevraagd of de patiënt kan kiezen om naar een andere arts.

Beter herstel door persoonlijk contact
Wat ervaren cliënten als goede zorg en wat helpt en hindert hen bij hun herstel? Op die vragen geeft Jean Pierre Wilken, lector Participatie, Zorg en Ondersteuning bij het Kenniscentrum Sociale Innovatie van de Hogeschool Utrecht, antwoord in zijn proefschrift ‘Herstellende zorg. Een bijdrage aan theorie en praktijk van goede zorg.’

Wilken promoveerde 12 november aan de Universiteit van Tilburg op zijn proefschrift dat uit drie delen bestaat. ‘Ten eerste heb ik de beschikbare kennis op het gebied van herstel in de wereld bestudeerd’, vertelt Wilken. ‘Ik heb hierbij met name studies gebruikt die gingen over de ervaringen van mensen zelf.’ Als tweede deed de promovendus onderzoek naar ervaringen van dertien mensen met een langdurige geschiedenis in de geestelijke gezondheidszorg in Nederland. ‘Ten slotte heb ik van de verkregen inzichten een vertaling gemaakt naar een theorie van goede zorg.’ Wilken wil met zijn proefschrift meer inzicht geven in de fenomenen van herstel, maar ook in de wijze waarop hulpverleners het herstelproces van cliënten kunnen ondersteunen.

Wat ervaren cliënten als goede zorg?
‘Contact met een hulpverlener op persoonlijk niveau is erg belangrijk. De cliënt moet het gevoel krijgen dat er aandacht voor hem is en dat hij begrepen wordt. Daarnaast moet zijn ervaring en kennis gezien worden als een belangrijke basis, die vervolgens aangevuld kan worden door de kennis van een professional. Cliënten willen gezien worden als mens met een eigen verhaal en ervaringen die er toe doen. Ook het in stand houden en vergroten van autonomie is voor cliënten erg belangrijk. Zij willen zoveel mogelijk zeggenschap hebben over hun eigen leven. Wat ook als enorm steunend wordt ervaren, is empowerende zorg. Hulpverleners die cliënten bijvoorbeeld bemoedigen en hoop geven, worden erg gewaardeerd.’

Welke factoren bevorderen het herstel van cliënten?
‘Hulpverleners die niet alleen op persoonlijk niveau een relatie aangaan en goed luisteren, maar ook langdurig een rol spelen in het leven van de cliënt. Het gaat dan vaak om meerdere jaren contact. Ook professionals die zich buiten de paden van de instelling begeven en net even iets extra’s doen, bevorderen het herstel. Tijdens één van mijn onderzoeksgesprekken vertelde een cliënt mij dat hij al tijden begeleid werd door een vaste hulpverlener. Dat contact deed hem erg goed, maar doordat hij moest verhuizen en een andere postcode kreeg moest hij naar een andere instelling. Zijn hulpverlener omzeilde enkele regels en deed er alles aan om hem begeleiding te kunnen blijven bieden. Het belang van de cliënt stond voor hem voorop. Dat wordt ontzettend gewaardeerd.’

Wat hindert cliënten bij hun herstel?
‘Hulpverleners die slecht luisteren, geen moeite doen om contact te maken en die denken het beste te weten. Maar ook wisselend personeel en veel hectiek op de afdeling hindert cliënten.’

Welke ggz-diensten ervaren cliënten als helpend?
‘Psychotherapie helpt mensen vaak om hun eigen aandoening te begrijpen. Het is belangrijk dat zij alles wat er in hun leven is gebeurd op een rij zetten zodat ze een verband of betekenis zien. Het herstellen van autonomie en de identiteit van een cliënt zijn belangrijke onderdelen van het herstelproces en daar kunnen therapeuten een grote rol in spelen.
Uit mijn onderzoek blijkt trouwens dat psychotherapie ook geschikt is voor mensen met psychotische stoornissen. Er is jarenlang gezegd dat deze therapie niet zou passen bij deze groep mensen, maar dat is onzin. De mensen met psychotische stoornissen die ik heb gesproken, bleken er ontzettend mee geholpen. Hoe zij er achter kwamen dat psychotherapie hen hielp? Dankzij die ene hulpverlener die zijn nek uitstak en echt op zoek ging naar manieren hoe hij zijn cliënt kon helpen.’

Vindt u dat de ggz voldoende gebruik maakt van de kennis van cliënten?
‘Nee. Hoewel de belangstelling toeneemt, wordt er momenteel voornamelijk gekeken naar de ervaringen en kennis van cliënten die al zo ver zijn dat ze als ervaringsdeskundige ingezet kunnen worden binnen de ggz. Dat is een goede ontwikkeling maar niet voldoende. Iedere hulpverlener moet gebruik maken van de ervaringen van zijn of haar cliënt en daar op aansluiten. Daarmee bieden we goede zorg en bevorderen we het herstel. Dat is toch wat we willen? Waarom doen we dat dan nauwelijks?’ (HE)