|
|

|
|
Wat gaat er mis in het contact met
als 'moeilijk' ervaren cliënten? |
|
| Wat is er aan de hand, wanneer
een hulpverlener in de GGZ een van zijn cliënten 'moeilijk'
noemt? Wat gaat er mis in het contact tussen beiden. En wat kan
de hulpverlener doen om de onderlinge verstandhouding te
verbeteren? Bauke Koekkoek e.a. interviewden 21 cliënten die
door hun behandelaars als 'moeilijk' bestempeld waren. Na een
kwalitatieve analyse van de interviews komt o.a. naar voren dat
de cliënt zich onvoldoende erkend voelt en dat de verwachtingen
van cliënt en hulpverlener vaak uiteenlopen.
De ervaringen van de cliënten met hun
behandelaars worden samengevat. Zo hebben zij moeite met
desinteresse, onvoldoende betrokkenheid en een 'algemene
negatieve kijk' van hun behandelaar en vinden zij dat
behandelaars 'moeilijk gedrag' teveel op zichzelf betrekken. Ook
hebben ze het gevoel dat er bijna geen goede manier is om om
hulp te vragen: stellen zij zich te afhankelijk op, dan is het
niet goed, maar als ze adequaat om hulp vragen, worden hun
problemen onvoldoende ernstig ingeschat.
In het artikel van Koekoek e.a. worden interessante verklaringen
opgeworpen voor de waargenomen moeilijkheden? Ambivalentie ten
opzichte van de hulpverlening blijkt een belangrijke. De
onderzochte cliënten blijken geïsoleerd te leven en krijgen
weinig steun in hun eigen omgeving. De behoefte aan steun,
begrip en erkenning van de hulpverlener is groot, maar
tegelijkertijd wil de cliënt deze steun ook weer niet van 'een
professional'. Hoe gaat een therapeut om met de 'existentiële'
behoeften die zo in het contact naar voren kunnen komen?
Het genoemde artikel bevat interessante citaten en analyses die
helpen om meer te begrijpen wat er misgaat in de interacties
tussen patiënten die als 'moeilijk' ervaren worden en hun
hulpverleners. Ook wordt een model gepresenteerd waarmee de
hulpverlener meer zicht en grip kan krijgen op de lastige
interacties met deze cliëntengroep.
Bauke Koekkoek, Berno van Meijel, Joyce van Ommen, Renske
Pennings, Ad Kaasenbrood, Giel Hutschemaekers, Aart Schene
(2010).
Ambivalent connections: a qualitative study of the care
experiences of non-psychotic chronic patients who are perceived
as ‘difficult’ by professionals.
BMC Psychiatry 2010, 10:96.
http://www.biomedcentral.com/1471-244X/10/96
Maar wat maakt nu iemand tot een goede (psycho-)therapeut en waar moet
je dus als cliënt op letten?
Mevrouw prof.dr. M. Leijssen, hoogleraar en psychotherapeut in
België stelt het in haar artikel De therapeut zo:
'Uit onderzoeksoverzichten blijkt
herhaaldelijk dat de persoonlijke eigenschappen van therapeuten
beslissender zijn voor de therapieresultaten dan de technieken
die zij gebruiken of de therapie-oriëntatie waartoe zij behoren
(Crits-Christoph & Mintz 1991; Goldfried e.a. 1990; Luborsky
e.a. 1986). ...
Sommige therapeuten zijn succesvol bij elke
therapeutische benadering, terwijl anderen steeds negatieve
resultaten behalen ongeacht de technieken die ze toepassen (Orlinsky
& Howard 1980; Lambert 1989). ...
Sommige onderzoeken komen zelfs tot de
onthutsende conclusie dat onervaren of niet-professionele
hulpverleners even goede en soms zelfs betere resultaten behalen
dan ervaren en geschoolde therapeuten (Hattle, Sharpley & Rogers
1984; Dumont 1991). Op grond daarvan dringt de conclusie zich op
dat het aantal jaren ervaring of een professionele training nog
niets zegt over de werkelijke bekwaamheid van de therapeut. ...
Men kan er ook uit afleiden dat bij niet-geschoolde
hulpverleners essentiële persoonlijke relationele kwaliteiten
aanwezig kunnen zijn, waarvoor traditionele therapieopleidingen
in hun selectie en vorming te weinig aandacht hebben of dat de
traditionele opleidingen misschien zelfs een remmende en
ontmoedigende uitwerking hebben op een natuurlijke wijze van
optreden. Wel konden Blatt a. (1996) aantonen dat de succesvolle
therapeuten van depressieve patiënten vaker psychologen zijn dan
psychiaters. De minst effectieve therapeuten in hun
onderzoeksgroep waren meer gericht op medisch-biologische
interventies en verwachtten minder van psychologische
tussenkomsten.
Meerdere studies brengen aan het licht dat
succesvolle therapeuten beter omgaan met emotionele uitingen van
cliënten: zij tolereren extremere gevoelens van cliënten en
durven hen te confronteren met de affectieve impact van
situaties. ...
Waar men zou verwachten dat goede therapeuten
een specifieke cognitieve stijl aanwenden, suggereert onderzoek
dat vooruitgang bij de cliënt voornamelijk plaatsvindt wanneer
er overeenkomsten zijn in stijl en wijze van perceptie bij
cliënt en therapeut (Beutler ea 1994).'
(Leijssen, M. In: De therapeut, in S. Colijn,
J.A. Snijders &W. Trijsburg, (Red.), Leerboek Integratieve
Psychotherapie, 305-326, 2003).
bron:
www.idee-pmc.nl
“Kwaliteit van de behandelrelatie bij het ontbreken van direct
contact tussen cliënt en hulpverlener” - Prof. dr. Jacques van
Lankveld
Dat de kwaliteit van de therapeutische relatie een belangrijk
deel van het behandeleffect op haar conto mag schrijven is een
gevestigde gedachte. Hierbij wordt in het algemeen aangenomen
dat de relatie gebaat is bij direct contact tussen cliënt en
hulpverlener. De werkzaamheid van nieuwe therapievormen, waarin
het directe contact tussen cliënt en therapeut minimaal of zelfs
afwezig is, lijkt dit gegeven echter tegen te spreken. Klopt dit
beeld? Is de invloed van de therapeutische relatie op het
behandeleffect al wetenschappelijk onderzocht? Het onderwerp zal
onder meer belicht worden aan de hand van de ontwikkelingen in
e-mental health.
Prof. dr. Jacques van Lankveld (Gemert, 1954) werkt sinds 1980
als klinisch psycholoog en psychotherapeut in verschillende
settings. Bij de Open Universiteit geeft hij
afstandsonderwijs en zet hij nieuwe onderzoekslijnen op waarbij
o.a. e-health zijn bijzondere aandacht heeft. |
Arts-patiënt relatie
De arts-patiënt relatie staat centraal in de praktijk van
de geneeskunde en is essentieel voor het leveren van kwalitatief
hoogwaardige gezondheidszorg in de diagnose en behandeling van de
ziekte.
De arts-patiënt relatie vormt een van de fundamenten van de hedendaagse
medische ethiek
De meeste medische scholen en universiteiten leren studenten geneeskunde
vanaf het begin, nog voordat ze voet aan wal zette in ziekenhuizen met
een professionele relatie met patiënten te houden, patiënten
'waardigheid te handhaven, en hun privacy te respecteren.
Belang
Een patiënt moet vertrouwen hebben in de deskundigheid van hun arts en
moet het gevoel hebben dat ze kunnen vertrouwen in hem of haar. Voor de
meeste artsen, de oprichting van goede verstandhouding met de patiënt is
belangrijk. Sommige medische specialiteiten, zoals de psychiatrie en
huisartsgeneeskunde, benadrukken de relatie arts-patiënt meer dan
anderen, zoals pathologie of radiologie.
De kwaliteit van de arts-patiëntrelatie is belangrijk
voor beide partijen. Hoe beter de relatie in termen van wederzijds
respect, kennis, vertrouwen, gedeelde waarden en perspectieven over
ziekte en leven, en de beschikbare tijd, des te beter zal de hoeveelheid
en de kwaliteit van de informatie over de ziekte van de patiënt
overgedragen in beide richtingen worden, het verbeteren van
nauwkeurigheid van de diagnose en het verhogen van de patiënt kennis
over de ziekte. Wanneer een dergelijke relatie slecht is de arts in
staat is om gecompromitteerd een volledige beoordeling wordt en de
patiënt heeft meer kans om wantrouwen de diagnose en de voorgestelde
behandeling, waardoor verminderde naleving daadwerkelijk volgen het
medisch advies. In deze omstandigheden en ook in gevallen waar sprake is
van echte verschil van medische adviezen, een second opinion een andere
arts kan uit worden gevraagd of de patiënt kan kiezen om naar een andere
arts.
Beter herstel door persoonlijk contact
Wat ervaren cliënten als goede zorg en wat helpt en hindert hen bij hun
herstel? Op die vragen geeft Jean Pierre Wilken, lector Participatie,
Zorg en Ondersteuning bij het Kenniscentrum Sociale Innovatie van de
Hogeschool Utrecht, antwoord in zijn proefschrift ‘Herstellende zorg.
Een bijdrage aan theorie en praktijk van goede zorg.’
Wilken promoveerde 12 november aan de Universiteit van
Tilburg op zijn proefschrift dat uit drie delen bestaat. ‘Ten eerste heb
ik de beschikbare kennis op het gebied van herstel in de wereld
bestudeerd’, vertelt Wilken. ‘Ik heb hierbij met name studies gebruikt
die gingen over de ervaringen van mensen zelf.’ Als tweede deed de
promovendus onderzoek naar ervaringen van dertien mensen met een
langdurige geschiedenis in de geestelijke gezondheidszorg in Nederland.
‘Ten slotte heb ik van de verkregen inzichten een vertaling gemaakt naar
een theorie van goede zorg.’ Wilken wil met zijn proefschrift meer
inzicht geven in de fenomenen van herstel, maar ook in de wijze waarop
hulpverleners het herstelproces van cliënten kunnen ondersteunen.
Wat ervaren cliënten als goede zorg?
‘Contact met een hulpverlener op persoonlijk niveau is erg belangrijk.
De cliënt moet het gevoel krijgen dat er aandacht voor hem is en dat hij
begrepen wordt. Daarnaast moet zijn ervaring en kennis gezien worden als
een belangrijke basis, die vervolgens aangevuld kan worden door de
kennis van een professional. Cliënten willen gezien worden als mens met
een eigen verhaal en ervaringen die er toe doen. Ook het in stand houden
en vergroten van autonomie is voor cliënten erg belangrijk. Zij willen
zoveel mogelijk zeggenschap hebben over hun eigen leven. Wat ook als
enorm steunend wordt ervaren, is empowerende zorg. Hulpverleners die
cliënten bijvoorbeeld bemoedigen en hoop geven, worden erg gewaardeerd.’
Welke factoren bevorderen het herstel van cliënten?
‘Hulpverleners die niet alleen op persoonlijk niveau een relatie aangaan
en goed luisteren, maar ook langdurig een rol spelen in het leven van de
cliënt. Het gaat dan vaak om meerdere jaren contact. Ook professionals
die zich buiten de paden van de instelling begeven en net even iets
extra’s doen, bevorderen het herstel. Tijdens één van mijn
onderzoeksgesprekken vertelde een cliënt mij dat hij al tijden begeleid
werd door een vaste hulpverlener. Dat contact deed hem erg goed, maar
doordat hij moest verhuizen en een andere postcode kreeg moest hij naar
een andere instelling. Zijn hulpverlener omzeilde enkele regels en deed
er alles aan om hem begeleiding te kunnen blijven bieden. Het belang van
de cliënt stond voor hem voorop. Dat wordt ontzettend gewaardeerd.’
Wat hindert cliënten bij hun herstel?
‘Hulpverleners die slecht luisteren, geen moeite doen om contact te
maken en die denken het beste te weten. Maar ook wisselend personeel en
veel hectiek op de afdeling hindert cliënten.’
Welke ggz-diensten ervaren cliënten als helpend?
‘Psychotherapie helpt mensen vaak om hun eigen aandoening te begrijpen.
Het is belangrijk dat zij alles wat er in hun leven is gebeurd op een
rij zetten zodat ze een verband of betekenis zien. Het herstellen van
autonomie en de identiteit van een cliënt zijn belangrijke onderdelen
van het herstelproces en daar kunnen therapeuten een grote rol in
spelen.
Uit mijn onderzoek blijkt trouwens dat psychotherapie ook geschikt is
voor mensen met psychotische stoornissen. Er is jarenlang gezegd dat
deze therapie niet zou passen bij deze groep mensen, maar dat is onzin.
De mensen met psychotische stoornissen die ik heb gesproken, bleken er
ontzettend mee geholpen. Hoe zij er achter kwamen dat psychotherapie hen
hielp? Dankzij die ene hulpverlener die zijn nek uitstak en echt op zoek
ging naar manieren hoe hij zijn cliënt kon helpen.’
Vindt u dat de ggz voldoende gebruik maakt van de
kennis van cliënten?
‘Nee. Hoewel de belangstelling toeneemt, wordt er momenteel voornamelijk
gekeken naar de ervaringen en kennis van cliënten die al zo ver zijn dat
ze als ervaringsdeskundige ingezet kunnen worden binnen de ggz. Dat is
een goede ontwikkeling maar niet voldoende. Iedere hulpverlener moet
gebruik maken van de ervaringen van zijn of haar cliënt en daar op
aansluiten. Daarmee bieden we goede zorg en bevorderen we het herstel.
Dat is toch wat we willen? Waarom doen we dat dan nauwelijks?’ (HE)
|
|